Mijn tweede nacht in Jordanië bracht ik door in een huis waarvan ik een week geleden nog niet eens wist dat het bestond. Geen hotel, geen airbnb, maar een thuis. Een plek waar schoenen slordig bij de deur staan, waar de geur van muntthee en gestoofd lamsvlees in de muren hangt, waar kousen schuifelen op betegelde vloeren en het schrapen van lepels over porselein.
Via Facebook had ik kort contact gehad met vader Shadi over het huren van zijn studio. Hij zag in mij een ideale huurder, vooral omdat hij en zijn familie Marshod dol zijn op Belgische chocolade. Het leek een perfecte win-win: ik kreeg korting op de studio en hij kreeg om de drie maanden een voorraad chocolade wanneer ik naar België reisde. Op de foto’s leek Shadi mij een goedlachse en hartelijke man.
Op maandagavond nodigde hij me uit om mansaf te komen eten, samen met een bevriende dokter en verpleegster uit Pakistan en Jemen die een Airbnb van hem huurden. Hij stelde ook voor dat ik bij hem en zijn gezin zou logeren tot de studio vrijkwam. Ik twijfelde. We waren tenslotte vreemden voor elkaar—wie doet zoiets? Bovendien had ik al afgesproken met de eigenaar van het hostel om daar in te trekken.
Maar na mijn eerste nacht in het hostel was de keuze snel gemaakt. Ik werd rillend en uitgeput wakker, niet alleen door de ijzige kou, maar ook omdat ik rond vijf uur ’s ochtends in mijn rechteroor werd gewekt door de oproep tot gebed van de imam en in mijn linkeroor enkele uren later spelende kinderen op de naburige speelplaats hun ochtendenergie botvierden. Wat ik op dat moment het meest verlangde? Een warm bed, een warme douche en vooral comfort.
Dus vroeg ik Shadi of zijn aanbod nog steeds gold. “Uiteraard,” antwoordde hij. Ik pakte mijn koffers opnieuw in en nam een taxi.
De familie Marshod kende me niet. En toch stond Shadi in de deuropening met een grijns en een handdruk “Ahlan wa sahlan!” – “Welkom, voel je thuis!” En hij sleurde mijn koffers naar boven.
Binnen werd ik warm onthaald door Shadi’s vrouw Kefah en dochters Hana en Mira. Zodra ik plaats nam op de bank voelde ik me omsingeld door nieuwsgierige blikken. Ik begon te vertellen over mijn passie voor de Arabische cultuur en taal, afgewisseld met anekdotes en merkte hoe de sfeer meteen losser werd. Toen ik mijn doos Guylian-zeevruchten tevoorschijn haalde, werden hun ogen nog groter. Kefah deelde gul een stukje uit aan iedereen, maar verdween vervolgens met de rest van de doos stilletjes de gang in—alsof ze de chocolade veilig in een schatkist wilde verstoppen.
Wat later kwamen de dokter en verpleegster Aysha en Aysha toe en was het tijd voor mansaf. Vorige zomer had ik het voor het eerst geproefd bij een bedoeïenenfamilie in Wadi Rum. Sindsdien wist ik: vol-au-vent met videekes had zijn troon verloren. ‘A la galbak, bismillah’ zeiden we en we begonnen te eten. De rijst was boterzacht, het lamsvlees smolt bijna weg op mijn tong en de jameed… De jameed bond alles samen als een fluwelen omhelzing.
Na de mansaf schonk Kefah ons thee in – stroperig, mierzoet, dampend in kleine glazen. De salontafel vol met nog zoetere gebakjes.

De avond gleed voorbij in een aaneenschakeling van woorden, gedachten en verhalen. We praatten over alles en niets, alsof er geen begin of einde aan de gesprekken was. Aysha en Aysha moedigden Hana, de oudste dochter die voor dokter studeert, aan om haar dromen na te jagen, haar ambities niet opzij te schuiven. Haar ogen glinsterden bij hun woorden, een mengeling van hoop en enthousiasme.
Maar we sprongen van onderwerp naar onderwerp, alsof de wereld in deze kamer paste. Palestina. Onderwijs. De toekomst. We deelden ideeën, wisselden perspectieven uit. Er werd geluisterd, écht geluisterd – niet om te reageren, maar om te begrijpen.
En ik genoot. Niet alleen van de gesprekken, maar van de puurheid ervan. Geen dronken woorden, geen wazige gedachten, geen ruis van alcohol die de diepte afvlakte. Alleen stemmen, scherp en helder, als golven die elkaar ritmisch vonden. Het was bevredigend op een manier die ik zelden had ervaren. Een gesprek dat niet vervaagde, maar bleef hangen als de geur van thee in de lucht.
Toen Aysha en Aysha aanstalten maakten om te vertrekken, dacht ik opeens aan een Arabische uitdrukking die mij altijd is bijgebleven en waarvan ik vond dat ze echt bij dit moment pastte. Nawwartuna. Je hebt ons huis verlicht met je aanwezigheid.
Ik zei ze luidop. De familie en de Aysha’s glimlachten. Ze leken verrast, bijna ontroerd. Alsof ik, door hun woorden te kennen, een stukje van hun wereld had binnengelaten.
De Arabische taal kent uitdrukkingen voor specifieke gevoelens, waardoor ze niet alleen benoembaar zijn, maar ook een plek hebben in hun woordenschat.
De dag erna was het mijn beurt om te vertrekken. Ik nam afscheid van Kefah, Hana, Mira en de zonen Reda en Mohamed. En opeens kreeg ook ik een Nawwartuna.
Ik, een onbekende die hier zomaar was binnengelopen, had hun huis verlicht.
En toen wist ik: ik had niets tastbaars achtergelaten. Geen cadeau, geen briefje op de keukentafel. Alleen mijn aanwezigheid. En blijkbaar, in dit huis, was dat genoeg. In hun ogen was ik een zegening, een eerbetoon aan hun gastvrijheid.
In Europa ben ik dat nooit tegengekomen. We ontvangen mensen, maar vaak met een duidelijk einduur. Er wordt dan eens subtiel gegeeuwd en naar de klok gekeken. Hoe anders zou de wereld zijn als we gasten zagen zoals Arabieren dat doen? Niet als gasten of indringers, maar als een lichtbron van verbinding.
Gastvrijheid in de Arabische wereld is geen formaliteit, geen verplichting. Het is een diepe, oprechte manier van in het leven staan. Ik denk aan de woorden van de profeet Mohammed: “Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn gast eren.” Hier was het geen theorie, geen loze spreuk. Hier leefde het.
Een huis wordt verlicht door lampen, maar een thuis straalt door de warmte van de mensen die binnenkomen, die iets achterlaten dat geen schaduw werpt, maar een gloed.
Misschien hoeven we in Europa geen deuren wagenwijd open te gooien, geen bedden te delen met vreemden. Maar wat als we iets kleins leren van deze cultuur? Het begint met een eenvoudig gebaar: het vertrouwen van een vreemde, zonder terughoudendheid, zonder argwaan.
Ik ben een complete vreemdeling in een vreemd land. Ik ken de taal amper. ik struikel nog vaak over mijn woorden als ik iets duidelijk wil maken aan iemand dat geen Engels kan. Ik deel niet dezelfde religie. Ik ben nog niet familiair met hun gewoonten en gebruiken en een paar keer per dag voel ik mij verloren.
Maar tot op de dag van vandaag voel ik nog steeds de warmte nazinderen van de familie Marshod. Voel ik mij er toch een beetje bijhoren. En dat komt door dat ene Nawwartuna moment.
Wordt vervolgd: mijn impressies van de ramadan in een moslimland en één dag meevasten.


Plaats een reactie